Leef

13 sep 2017

 

Dit is zo’n blog waarvan ik twijfel of ik het wel schrijven moet. Want tot hoever deel je met zoveel mensen, die je soms kent maar soms ook niet, je diepste gevoelens en je pijn. Je strijd en je twijfels. En toch schrijf ik hem. Ik wil het hele verhaal vertellen. Ook al zijn de verhalen soms minder vrolijk. Pak de popcorn er maar bij.

 

In mijn laatste blog schreef ik al dat ik aan het kwakkelen was. Ik was niet fit. Ik had al eens naar de longarts gebeld, maar na overleg besloten we het nog een poosje aan te kijken. Ik had last van kortademigheid, maar was ook misselijk en had hoofdpijn. Verder was eten een kwelling geworden. Vreemd voor iemand die zichzelf best een lekkerbek durft te noemen. In de hoop dat het een virus was, nam ik wat meer rust.

 

Twee weken geleden vertrok Jas voor een week naar Vlieland. Vorig jaar schreef ik nog een blog over het festival Into The Great Wide Open waar hij voor werkt. Inmiddels was het alweer zo ver. Ik zag er een beetje tegenop, omdat ik er alleen voor zou staan. Ted vermaken, eten maken. Sowieso, zorgen dat ik at. Want mijn stok achter de deur was weg. Maar gelukkig had ik hulp van di mama en de schoonouders. Dan moest het goed komen. Dacht ik.

De eerste twee dagen leken nog wel goed te gaan. Maar al snel werd ik zieker. De fysio werd afgebeld. En mijn onderbuikgevoel begon te knagen. Ik werd ongerust. Iets wat ik niet veel vaker heb gevoeld. Op vrijdag besloot ik te bellen met de longverpleegkundige. Na wikken en wegen beslissen we het weekend aan te kijken. Voor de zekerheid krijg ik het nummer van de verpleegafdeling. Iets in mij zegt dat ik het nodig zal hebben, maar mijn hoofd probeert het te vergeten. Voor de zekerheid laat ik ’s middags nog mijn nek kraken. Alle kleine beetjes helpen.

 

’s Avonds word ik gezelschap gehouden door lieve vriendjes. Maar eigenlijk heb ik er de energie niet voor. Ik probeer op tijd naar bed te gaan maar slapen lukt pas laat. Ik word zaterdagochtend wakker met alweer enorme hoofdpijn. En ik ben vreselijk misselijk. Ik sleep mezelf naar de badkamer. Dat is een tochtje van amper zes meter, maar als ik in de spiegel kijk zie ik dat het me blauwe lippen heeft opgeleverd.

 

Dit is de druppel. Ik ben op. Moe. Klaar met alles. Ik bel mijn moeder en zeg dat ik het ziekenhuis ga bellen. Ze komt meteen naar me toe. Het ziekenhuis besluit na kort overleg dat ze me zo snel mogelijk willen zien op de spoedeisende hulp. Net wat ik dacht. Ik raap wat spullen bij elkaar. Medicijnen, maar ook een toilettas en een pyjama. Want ik weet allang tot welke conclusie de beste broeders en zusters gaan komen daar in Nijmegen. Dit wordt logeren.

Eenmaal daar aangekomen word ik ontvangen door een verpleegkundige. Ik zie meteen dat het een oude rot uit het vak is. Ik houd daarvan. Ze prikt me overal en test van alles. En dan zien we opeens mijn eigen longarts mijn kamer binnenkomen. Ze blijkt dienst te hebben. Wat een geluk! We beslissen dat ik moet blijven en we hopen dat een infuus met antibiotica me weer vlot gaat trekken.

 

En dan opeens stelt ze me de vraag. Of ik gereanimeerd wil worden. Even overrompelt het me, maar snel hoor ik mezelf zeggen: “Nee. Dat hoeft voor mij niet.” Op dat moment meen ik het ook echt. Ik voel me zo ziek. En zo slecht. En ik vind het even zo uitzichtloos, dat een hartstilstand me een zalige zachte dood lijkt. Ik zie mijn arts en mijn moeder naar me kijken. “Als mijn hart ermee stopt dan moet het zo zijn”, zeg ik resoluut. En zo vertrok ik met een stempel “niet reanimeren” en “wel IC” op mijn formulier naar de verpleegafdeling.

 

Eenmaal in mijn bed, een prachtige eenpersoonskamer met uitzicht op het bos (echt!), bel ik met Jas. Ik probeer hem ervan te overtuigen dat hij niet naar huis hoeft te komen. Dat lukt niet meteen. Maar uiteindelijk weet hij dat ik gelijk heb, dat die twee dagen langer zonder elkaar echt wel gaan lukken. Ik ben in goede handen. Dan erbij kunnen we bellen, facetimen en whatsappen zoveel als we willen. Ik deel hem ook nog even tussen neus en lippen door dat ik trouwens niet gereanimeerd hoef te worden. En toen hingen we op.

Ik voel me uitgeput. Ik krijg nog wat bezoek en heb een slechte nacht. De volgende dag begin ik al wat te merken van wat de antibiotica doet. Want ademen gaat wat makkelijker. En de dag erna voel ik me weer wat beter. Pas na een paar dagen schakelt mijn overlevingsmodus over naar normaal. En zoals te verwachten, kwamen toen pas de emoties. Want ik vind het een enorme confrontatie met mijn lijf, en met mijn voorland. En voor het eerst sinds het woord longtransplantatie is gevallen ben ik bang.

 

Het lijkt wel of ik opeens besef wat het allemaal inhoud. Niet in mijn hoofd, maar in mijn hart. Ik voel wat er met me aan de hand is. Wat er speelt. En voor het eerst huil ik hierom. Daarmee stop ik pas een dag later. Ik word getroost. Door familie. Vrienden. De verpleegster. De diëtist. De fysio. Iedereen die die dag aan mijn bed komt mag eraan geloven. Er is geen houden aan. Ik laat het maar even voor wat het is. Ik ben verdrietig. Boos. Bang. Alles door elkaar. En omdat ik al dagenlang vreselijk misselijk ben voelt het nog eens extra beladen. Het was een dag voor in de boeken… Grapje.

 

Langzaam aan word ik rustiger. Ik ben gestopt met huilen. Of mijn tranen zijn op. Ik weet het niet zeker. En ik denk na over de afgelopen week. Over mijn niet reanimeren beleid. Een verpleegkundige wees me erop dat het vreemd is in combinatie met op de wachtlijst staan. Misschien heeft ze wel gelijk. Ook had het Jas erg verdrietig gemaakt. En een vriendinnetje. Ook al snapten ze het. Of probeerden ze dat. Ze vonden het verre van leuk. Maar uiteindelijk bedenk ik me nog meer dan anders: wil ik leven?

Ja. Dat wil ik heel graag. Alleen soms is het vertrouwen in een goede afloop ver te zoeken. Een tijdje terug had ik het er met iemand over die gelooft, dat ik het afgelopen jaar vaak jaloers ben geweest op gelovige mensen. Het lijkt me zo fijn om me aan zoiets vast te kunnen houden. Hij zei me uiteindelijk: “Waarom vraag je niet om een teken? Dan zie je vanzelf of er iets gebeurt.” Ik heb daar over nagedacht. En heb het gedaan, om een teken gevraagd. En geloof het of niet, maar vanaf de eerste dag in het ziekenhuis had ik het lied “Leef” in mijn hoofd.

 

Ik besloot het te draaien. De avond voor die lange dag vol tranen. Het raakte me tot in het diepst van mijn ziel. Ik wist dat ik moest gaan leren vertrouwen te hebben. In het leven. Ondanks hoe het nu gaat. En ondanks alle onzekerheid. Dat ik moet gaan leren aanvaarden dat dit het is. En dat het niet meer wordt hoe het was. Want als ik het niet accepteer, wordt alles alleen nog maar zwaarder. Ik ga niet zeggen dat ik nu geloof. Maar “leef” was wel een teken. Het zat zomaar opeens in mijn hoofd. En het is prachtig.

 

Ik mag sinds zaterdag, na een week antibiotica, thuis verder aansterken. De doorgewinterde chronisch zieke man of vrouw doet zo’n opname als deze met twee vingers in de neus misschien. Maar voor mij was het een beproeving. Sinds vandaag kan ik weer eten zonder misselijk zijn, en ik ben weer even buiten geweest. Ik kom er wel weer bovenop. Volgende week gaan we de balans opmaken in Utrecht om opnieuw te bekijken welk plekje op de wachtlijst mij toebehoord. Ik ben er klaar voor. En ik ga het nemen zoals het is.

 

Luister hier naar:

Leef – Charl Delemarre